grafmonumenten
Er waren echter ook goed georganiseerde grafmonumenten. Zij fuseerden na verloop van tijd en tal van hedendaagse verzekeringsmaatschappijen hebben hun wortels in plaatselijke begrafenisfondsen. Tot ver na de middeleeuwen was wit de kleur van de rouw. Na de Reformatie veranderde dat definitief in zwart. De gewoonte om gedurende een periode na de begrafenis rouw te dragen ontstond in de negentiende eeuw. In de stadsdracht was sprake van allerlei vormen van rouwkleding. De sieraden werden eveneens aangepast. Parels, die tranen symboliseerden, waren toegestaan. Goud werd vervangen door zilver. Kleurige edelstenen waren taboe. In plaats daarvan waren px speciale rouwsieraden van granaat of git. In Engeland waren hele bedrijven gespecialiseerd in het maken van sieraden van het ter plaatse gewonnen git. De oude gewoonte, om van tanden gesneden schedeltjes, of stukjes bot verwerkt in een sieraad te dragen als herinnering aan de overledene, begon men in de negentiende eeuw ouderwets en barbaars te vinden. In plaats daarvan kwamen de haarsieraden. Van haar van de overledene werden op kunstige wijze armbanden en horlogekettingen gevlochten. In damesbladen stonden voorbeelden hoe men van haar figuurtjes kon maken, bijvoorbeeld een urn of een vlinder. De haarwerkjes werden in medaillons bevestigd. Na de uitvinding van de fotografie ontstond snel de gewoonte om overledenen op hun doodsbed te fotograferen. De foto’s werden ingelijst en soms eveneens omkranst met sierlijk gevlochten haar. Men ging zelfs zo ver om in de rouwperiode thee te drinken uit rouwserviesjes, bijvoorbeeld die van ‘black basalt1 gemaakt door de firma Wedgwood.
De Winkels van Sinkel in Utrecht en Amsterdam beschikten over speciale afdelingen waar men een keuze kon maken uit rouwkleding en accessoires. In de streekdracht was de zaak veel gecompliceerder. Daar was sprake van allerlei kleurnuances die toch de betekenis van een rouwkleur hadden zoals paars op Urk of het rood baaien voorpand dat een weduwe op Marken in combinatie met haar zwarte rouwkleding droeg. Er bestonden op het platteland eveneens ingewikkelde voorschriften over het aangeven van de mate van rouw, bijvoorbeeld zware rouw direct na het overlijden van een naast familielid. Na verloop van tijd, of wanneer het een ver familielid betrof, keerde er stukje bij beetje weer kleur terug in de kleding. Het voordeel van rouwkleding was dat iedereen kon zien dat iemand getroffen was door een sterfgeval en daarmee rekening kon houden. Van burenhulp is vrijwel geen sprake meer, de gildebroeders en fondsboden zijn verdwenen, aanzeggers uitgestorven, met het maken van rouwkleding en sieraden is geen brood meer te verdienen. Maar het aantal mensen dat bij een sterfgeval te pas komt is er niet minder om geworden. In de jaren zestig werd de dood verdrongen. In veel bejaardenhuizen ontbrak een fatsoenlijke rouwkamer. In ziekenhuizen werden stervenden zo veel mogelijk naar een aparte ruime ver buiten het dagelijks leven gebracht. Artsen ontkenden onder het motto ‘Zo lang er leven is, is er hoop’, de komst van de dood. Tegenover kinderen werd het sterven van naaste familieleden verzwegen, van bewust afscheid nemen was geen sprake.